In het kader van vorige artikels werd de (gunstige) impact van de hervorming van de erfbelasting en het familierecht in België beschreven. Er werd met name op gehamerd dat deze hervormingen in België een grote, positieve impact hadden op het levensverzekeringscontract, dat als een cruciaal instrument voor vermogensplanning wordt beschouwd.

Het Vlaamse Gewest (Vlaamse Belastingdienst of VLABEL), dat sinds 1 januari 2015 bevoegd is op het vlak van successierecht en bepaalde registratierechten, spreekt zich uit over de bepaling, de controle en de inning of terugbetaling van successie- en registratierechten. Het criterium dat beslissend is voor de bevoegdheid van VLABEL is de vestiging van het fiscale domicilie van inwoners in het Vlaamse Gewest, ofwel, ongeacht de fiscale residentie van de betrokken belastingplichtige, de plaats van een onroerend goed.

  1. Herinnering: een problematiek waar al lang controverse rond bestaat

Het levensverzekeringscontract wordt geregeld door de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen[1]. Net als in elk contract moeten er verschillende partijen geïdentificeerd worden. Als het gaat over een levensverzekeringscontract, worden de verzekeringnemer, het verzekerde leven en ten slotte de begunstigde geïdentificeerd. De verzekeringnemer is de persoon die beslist om een contract aan te gaan middels de betaling van een of meerdere premies, bij een welbepaalde verzekeraar. De verzekeraar verbindt zich ertoe om later, in ruil voor de betaling van de (of meerdere) premie(s) een kapitaal uit te betalen aan de persoon die in het contract als begunstigde wordt aangeduid. Dit op het moment dat het risico dat het voorwerp is van het betrokken verzekeringscontract (d.i.. “leven of overlijden”, dat bij de persoon ligt die in het contract als “verzekerd leven” wordt aangeduid)heeft plaatsgevonden. Op die manier kan het levensverzekeringscontract geschematiseerd worden als de betaling van een premie door de verzekeringnemer, met als tegenprestatie de betaling door de verzekeraar van een kapitaal aan de begunstigde van het contract, op het moment dat dit contract afloopt. De verzekeringnemer zal dus niet langer eigenaar zijn van de bedragen die hij in het contract heeft geïnvesteerd, maar zal over een vorderingsrecht ten opzichte van de verzekering beschikken.

Zo verwerft de verzekeringnemer persoonlijke rechten op het contract en kan hij deze enkel uitoefenen indien hij de enige houder van het contract is. Hij oefent deze rechten echter gezamenlijk uit indien er ondeelbaarheid bestaat met de andere verzekeringnemer(s) die samen met hem het levensverzekeringscontract heeft/hebben aangegaan. De rechten van de verzekeringsnemer zijn niet levenslang, en daarom is het noodzakelijk de uitkomst van deze rechten te bepalen in geval van vooroverlijden van een verzekeringnemer dat het contract niet zou beëindigen. Een aanwasclausule van de rechten tussen de verzekeringnemers kan op die manier de gewenste oplossing brengen, evenals een overdracht van rechten naar een aangeduide cessionaris.

In de vorige bijdrage werd zo de problematiek aangehaald van een of meerdere premies die via gemeenschappelijke fondsen worden  betaald en bijgevolg, door het mechanisme van de levensverzekering, voor de gemeenschappelijke intekenaars als een ondeelbare vordering of in het geval van een individuele intekening als een eigen vordering worden beschouwd[2]. Maar hoe wordt dan het eigen karakter van de rechten van de verzekeringnemer in het contract, en dus van de onderliggende investering, duidelijk? Het debat in dit verband, dat al lang gaande is, werd afgesloten door de hervorming van het Belgische huwelijksvermogensrecht, met de invoering van het principe eigendomstitel en financiering (“titre et finance”). Hierin valt een fiscale impact op: wanneer een van de gezamenlijke mede-intekenaars eerder overlijdt, hoe zit het dan met de belasting op de successierechten over de waarde van de afkoop van het levensverzekeringscontract dat zo aan de overlevende echtgenoot wordt overgedragen?

In dit geval hebben we door het mechanisme van de aanwasclausule en het nieuwe principe van “titre et finance” een eigen goed dat van de vooroverleden echtgenoot wordt overgedragen naar de langstlevende echtgenoot (d.i. de afkoopwaarde van het contract die gekoppeld is aan de persoonlijke rechten van de vooroverleden echtgenoot die worden overgedragen naar de overlevende echtgenoot). Door toepassing van de principes in de wet van 22 juli 2018 werden aangekondigd, zalt de langstlevende echtgenoot een vergoeding aan de gemeenschap verschuldigd zijn, die overeenkomt met de waarde van de rechten op het contract, die onder het effect van de aanwasclausule vallen[3].

Als het gaat om een levensverzekering die door beide echtgenoten werd aangegaan, die niet beëindigd wordt bij overlijden van de eerste echtgenoot enwaarbij de afkoopwaarde naar de overlevende echtgenoot wordt overgedragen, bepaalt de nieuwe wet dat de afkoopwaarde – die toekomt aan de langstlevende echtgenoot – voor deze echtgenoot een “eigen goed” wordt. Indien de premies werden betaald vanuit het gemeenschappelijke patrimonium bepaalt de wet dat deze echtgenoot een “vergoeding” verschuldigd is aan het gemeenschappelijke patrimonium. Wanneer de eerste echtgenoot sterft, zou aan de gemeenschap een vergoeding verschuldigd zijn voor de helft van de afkoopwaarde van het contract. Als we dit logisch benaderen, zouden op deze vergoeding successierechten moeten geheven worden. Er kan echter een fiscale vrijstelling van successierechten op de vergoedingen ingeroepen worden, indien het betrokken koppel op het moment van de successie een of meerdere kinderen in leven heeft[4].

2. VLABEL: een verrassend standpunt

Terwijl het fiscale standpunt van het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest deze vrijstelling van erfbelasting op basis van artikel 16 van het Wetboek der Successierechten ondersteunt, was het Vlaamse standpunt tot voor kort nog onduidelijk, en werd geneigd naar een belasting krachtens artikel 2.7.1.0.6 VCF bij partiële of totale afkoop door de overlevende echtgenoot.[5]

In dit verband bieden enkele recente, vervroegde beslissingen van VLABEL een paar antwoorden. In een eerste beslissing van 8 oktober 2018[6] bevestigt VLABEL dat er voor de toepassing van successierechten geen rekening zal worden gehouden met de vergoeding indien er gemeenschappelijke kinderen zijn.[7] Er blijft echter nog een groot probleem over, dat nog moet opgelost worden: denken we bijvoorbeeld aan de situatie waarbij de vrijstellingsvoorwaarden voor de vergoeding niet zouden vervuld zijn, wat leidt tot een dubbele belasting (belasting van de vergoeding op het moment van het eerste overlijden en bij de eventuele partiële of totale afkoop door de overlevende echtgenoot, ofwel op het moment van het tweede overlijden).

Omdat ze zich van deze problematiek bewust was, sprak VLABEL zich op 15 oktober 2018 opnieuw uit[8], en voerde daarmee een onverwachte retroactieve wettelijke fictie in. VLABEL meent namelijk dat het gepast is om bij het eerste overlijden ervan uit te gaan dat alle premies achteraf zouden worden beschouwd als zijnde betaald met eigen gelden van de overlevende echtgenoot, en niet door middel van fondsen vanuit het gemeenschappelijke vermogen van de echtgenoten. Op die manier zal artikel 2.7.1.0.6 VCF dus niet van toepassing zijn (geen belasting) bij een eventuele totale of partiële afkoop na het eerste overlijden, waardoor een dubbele heffing van successierechten wordt afgewend.

Uit deze beslissing vloeit dan weer de volgende vraag voort: indien de premies, op het moment van het eerdere overlijden van de eerste echtgenoot, achteraf worden beschouwd als zijnde gefinancierd met eigen gelden van de langstlevende, hoe kunnen we dan rechtvaardigen dat aan de gemeenschap een vergoeding verschuldigd is voor de helft van de afkoopwaarde van het betreffende levensverzekeringscontract? Is het initiële probleem van het rekening houden met de (al dan niet) verschuldigde vergoeding ten opzichte van de gemeenschap dan opgelost?

Het zou niet de eerste keer zijn dat VLABEL met een verrassende beslissing komt. Bijgevolgkunnen we op over dit onderwerp nog wel een antwoord verwachten.

Om te besluiten: een kwestie die we met argusogen opvolgen…

Onze experts staan ter uw beschikking voor eventuele vragen in dit verband.

 

Auteur:

 Nicolas MILOS – Senior Wealth Planner

 

[1] Wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, B.S.. 30/04/2014.

[2] Terug naar het artikel met de titel: “Belgische hervorming van het huwelijksrecht en erfrecht: impact op de levensverzekeringscontracten.”

[3] Artikel 13 van de wet van 22 juli 2018 die het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen betreffende het recht rond het huwelijksvermogensstelsel wijzigt en die de wet van 31 juli 2017 wijzigt, die het Burgerlijk wetboek wijzigde met betrekking tot erfrecht en schenkingen en diverse andere bepalingen in dit verband wijzigde, B.S.. 27.07.2018.

[4] In toepassing van artikel 16 van het Wetboek der Successierechten en artikel 2.7.3.2.7., V.C.F.

[5] Naar aanleiding van de decreetswijziging van 23 december 2016, van toepassing voor overlijdens na 31 december 2016. Volgens standpunt nr. 15020 van 2 februari 2015 is het dus niet langer mogelijk de helft van de afkoopwaarde van het levensverzekeringscontract te belasten wanneer de eerste echtgenoot overlijdt

[6] VLABEL, standpunt nr. 18067 dd. 09.10.2018, http://belastingen.vlaanderen.be.

[7] In toepassing van artikel 2.7.3.2.7., V.C.F, over artikel 16 van het Wetboek der Successierechten.

[8] VLABEL, standpunt nr. 18073 dd. 15.10.2018, http://belastingen.vlaanderen.be.